Carrièrebreuk
Carrièrebreuk is een bijzondere vorm van
pensioenbreuk. Deze breuk ontstaat bij verandering van werkgever. Doorgaans
ontvangt iemand bij een nieuwe werkgever een hoger salaris. Het pensioen bij de
oude werkgever wordt hier echter niet aan aangepast. Het hogere salaris is dus
niet van toepassing op het opgebouwde pensioen bij de oude werkgever. Hierdoor
kan een pensioentekort ontstaan.
Om de negatieve gevolgen van de carrièrebreuk
enigszins binnen de perken te houden, kunt u het pensioen van de oude werkgever
overdragen naar de nieuwe werkgever. Het pensioenfonds van de nieuwe werkgever
krijgt dan de waarde van de pensioenrechten van de oude werkgever uitgekeerd en
berekent vervolgens hoeveel dienstjaren u hiervoor in het nieuwe pensioenfonds
terug kunt krijgen. De berekening gebeurt aan de hand van door de overheid
opgestelde richtlijnen. De periode waarin u voor waardeoverdracht in aanmerking
kunt komen bedraagt maximaal 12 maanden en verloopt als volgt:
1. Bij deelname aan de pensioenregeling is de
werkgever verplicht de nieuwe werknemer in te lichten over het recht op
overdracht en de te volgen procedure. De nieuwe werknemer moet binnen 2 maanden
na opname in de nieuwe pensioenregeling een opgave vragen van zijn
pensioenrechten bij de nieuwe pensioenuitvoerder.
2. De nieuwe pensioenuitvoerder vraagt binnen een maand informatie aan bij de
oude pensioenuitvoerder, die binnen 2 maanden de informatie verstrekt.
3. Binnen 2 maanden informeert de nieuwe pensioenuitvoerder de werkgever over
de gevolgen van de waardeoverdracht.
4. Binnen 2 maanden dient de werknemer het verzoek tot waardeoverdracht in te
dienen bij de nieuwe pensioenuitvoerder. Indien er ook sprake is van een
nabestaandenpensioen dient een akkoordverklaring van de partner afgegeven te
worden. Indien de partner niet akkoord gaat, dan blijft het
nabestaandenpensioen als "slapersrecht" achter bij de oude
pensioenuitvoerder.
5. De waardeoverdracht zal binnen 3 maanden plaatsvinden. Het pensioen bij de
oude werkgever komt te vervallen.
Wel of geen overdracht?
Als u bij de nieuwe werkgever meer gaat
verdienen, zult u wat minder jaren terugkrijgen dan u had. Dit kan betekenen
dat u niet meer uw volledige pensioen van 40 dienstjaren kunt bereiken.
Stapt u met behoud van hetzelfde salaris over
naar een nieuwe werkgever die precies dezelfde pensioenregeling kent als uw
vorige werkgever, dan zal het aantal fictieve dienstjaren bij uw nieuwe
werkgever gelijk zijn aan het aantal jaren dat u bij uw oude werkgever werkte.
Als de oude regeling een goede indexering kent,
is het soms beter de aanspraken bij de oude werkgever te laten. Wel of geen
overdracht is dus afhankelijk van verschillende factoren zoals:
· Welk systeem hanteert het pensioensysteem van
de nieuwe werkgever?
· Worden de oude pensioenrechten bij ontslag geïndexeerd?
· Wat zijn de carrière- en salarisverwachtingen?
· Zijn de regelingen ten aanzien van nabestaandenpensioen tenminste
gelijkwaardig?
[an error occurred while processing this directive]
Wijziging berekenen pensioentekort april 2003
Op 8 april 2003 heeft de staatssecretaris van Financiën een brief gestuurd aan
de Tweede Kamer met betrekking tot de opgave van de factor A. De factor A is
nodig om te berekenen of sprake is van een pensioentekort, met als doel dat een
belastingplichtige in aanmerking kan komen voor lijfrentepremieaftrek op grond
van de jaarruimte.
Vorig jaar is hierover een amendement ingediend.In dit amendement werd
voorgesteld om een eventueel pensioentekort niet meer te toetsen aan de
pensioenaangroei (factor A) in het jaar waarin de aftrek van lijfrentepremie is
gewenst (jaar t), maar om een eventueel pensioentekort te toetsen aan de factor
A in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de aftrek van
lijfrentepremie is gewenst (jaar t-1).
Hierdoor zouden pensioenuitvoerders reeds in het relevante belastingjaar aan de
belastingplichtige een opgave van de factor A kunnen doen. Inmiddels is het
amendement Van Vroonhoven-Kok per 1 januari 2003 in de Wet IB 2001 opgenomen.
De staatssecretaris van Financiën merkt op dat het voor de belastingplichtige
nog meer tijdwinst zou opleveren wanneer de inkomensgegevens van het jaar t-1
worden gebruikt. Dan hoeven belastingplichtigen namelijk niet meer de opgave
van hun inkomen af te wachten.
Op grond van het voorgaande is de staatssecretaris, in overleg met het
verzekeraars en pensioenfondsen tot het volgende voorstel gekomen.
Voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek
vanwege een pensioentekort, wordt uitgegaan van het kalenderjaar t-1. Dit geldt
voor de factor A, de dotatie aan de FOR en voor de inkomensgegevens.
De factor A moet door de pensioenverzekeraar binnen 10 maanden in het
kalenderjaar waarop de premieaftrek betrekking heeft aan de belastingplichtige
worden verstrekt.
Een belastingplichtige kan de premies voor lijfrenten die binnen 3 maanden na
afloop van het kalenderjaar zijn betaald of verrekend, bij de aangifte
aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar.
Om dit te kunnen realiseren moet de Wet IB2001 worden aangepast. Vooruitlopend
hierop zal de staatssecretaris zo snel mogelijk een goedkeuringsbesluit
publiceren waarin wordt goedgekeurd dat voor het kalenderjaar 2003 belastingplichtigen
bij de berekening van de jaarruimte uit mogen gaan van de inkomensgegevens van
het jaar 2002. Dit betekent dat wat betreft de inkomensgegevens voor het
kalenderjaar 2003 een eenmalig keuzeregime ontstaat: belastingplichtigen mogen
kiezen of zij voor de inkomensgegevens aansluiten bij het kalenderjaar 2002 of
2003. Voor het jaar 2003 wordt, bij wijze van overgangsregeling, een
terugwenteltermijn van 6 maanden gehanteerd. Daarna zal dus een
terugwenteltermijn van drie maanden gaan gelden.
[an error occurred while processing this directive]